Interview met Lucas

Interview met Lucas

“Kunst kan voor niets een oplossing zijn, maar het kan wel een kader bieden.”
Een interview met Lucas De Man

Op 23 oktober trokken wij, drie studentes Nederlandse bedrijfscommunicatie, naar het station van Brussel-Noord om met Lucas De Man (29) te praten. Lucas De Man volgde Germaanse talen aan de Katholieke Universiteit Leuven. Daarna ging hij regie studeren in Amsterdam. Hij is creator en artistiek leider van de stichting nieuwe helden. Lucas verblijft voor zijn werk voornamelijk in Nederland, maar was toch zo vriendelijk om ons in Brussel te ontmoeten. We vonden een ouderwets cafeetje waar we een gezellige babbel hadden over hoe hij terugkijkt op zijn studententijd, hoe het vandaag met hem gaat en het belang van kunst in onze maatschappij.

Lucas De Man studeerde Germaanse talen aan de Katholieke Universiteit Leuven, hoewel hij al heel vroeg wist dat hij de kunstwereld in wilde. Hij wilde eerst graag een universitair diploma behalen. Niet alleen omdat zijn omgeving daar op aandrong, maar vooral omdat hij een netwerk van sociale contacten wilde uitbouwen. Achteraf bleek het een hele goede beslissing te zijn, aangezien hij in Leuven een geweldige tijd beleefde. Volgens Lucas zijn er immers twee soorten studenten: “de uitgaanders en de strebers”, en hij behoorde duidelijk tot de eerste groep. Naast uitgaan en feesten, speelde Lucas ook improvisatietheater met The Lunatics. Met deze groep beleefde hij echte hoogdagen. Ze traden immers een jaar lang elke week op in Het Stuk voor vierhonderd man. Al deze buitenschoolse activiteiten waren belangrijk om contacten te leggen, maar Lucas ging ook altijd naar de les. De aula was een soort ontmoetingspunt waar werd afgesproken wat er die avond gedaan werd. Lucas denkt met veel plezier terug aan die tijd: overdag naar de les gaan, ’s avonds toneel spelen en uitgaan. Tijdens zijn studententijd heeft hij dan ook een uitgebreid netwerk kunnen opbouwen met mensen uit heel uiteenlopende richtingen, waar hij vandaag nog steeds handig gebruik van maakt. Alles is volgens hem netwerken; met enkel talent kom je niet meer aan de bak. Het gaat om wie je kent en wie je kan overtuigen van je kunnen. Niemand zit immers te wachten op nog een kunstenaar of journalist.

“We moeten wel meer gaan samen doen, want we trekken het anders niet”
Lucas schreef zijn masterscriptie over “Het belang van theater als antwoord op de crisis van de openbare ruimte”. In onze maatschappij worden de steden steeds groter en de mensen steeds eenzamer. Falen en eenzaamheid zijn volgens Lucas de grootste taboes. We hebben elkaar nodig, want straks is het zoeken naar geld niet meer het hoogste goed en hebben we geen alternatief meer. We zijn niet gelovig, noch idealistisch, we hebben enkel elkaar. In die zin gelooft hij dat kunst wel een belangrijke rol kan spelen. Volgens Lucas is de kunstenaar iemand die in de maatschappij iets kan teweegbrengen. In zijn masterscriptie zie je al hoe Lucas wat hij leerde tijdens zijn opleiding Germaanse talen kan gebruiken bij zijn huidige job. Hij volgde enerzijds veel vakken over theater en bouwde anderzijds een hele brede algemene kennis op. Daarnaast pikte hij ook verschillende vaardigheden op. Zo leerde hij onder andere zaken onderzoeken, onderbouwde papers opstellen, artikels schrijven en presenteren, interviews afnemen en een verzorgde taal hanteren. Hij koos de opleiding niet alleen om mensen te leren kennen en een diploma te behalen, maar ook omdat hij gepassioneerd was door het Nederlands en door literatuur. Daarnaast wilde hij goed leren spreken en schrijven, want communicatie is volgens Lucas erg belangrijk.

“Je studeerde af met een hele generatie”
Nadat Lucas zijn diploma Germaanse talen had behaald, volgde hij een regieopleiding in Amsterdam. De opleiding verschilde van die in Leuven. Zo werden er slechts vijf studenten toegelaten per jaar, waarvan er maar drie afstudeerden. Die laatste drie vonden wel meteen werk, omdat je door de verplichte stage reeds bij de grote namen binnen de theaterwereld terechtkwam. Hij ging dus van anonieme student in de grote aula in Leuven naar een situatie waar de professoren hem plots met de voornaam aanspraken en hem vroegen om samen iets te gaan drinken. Het sociale leven dat hij in België had, stopte. Hij moest immers honderd uren per week op school zijn. Amsterdam was bijgevolg eerder een eerste opdrachtgever dan een onderwijsinstelling. Hij heeft daar veel ervaring opgedaan: wonen op een boot of in een voormalig asielcentrum dat zelfs te pover was voor asielzoekers zijn hem sindsdien niet langer vreemd. Het was ook een voorrecht om aan die kunstschool te studeren, want met slechts vijf studenten en heel wat faciliteiten en leerkrachten is het de duurste opleiding voor de Nederlandse staat. Alle opleidingen zaten daar bij elkaar: technici, acteurs, regisseurs, vormgevers en managers. Je studeerde af met een heel team, een hele generatie, zodat je niet helemaal alleen van nul af aan moest beginnen.

De kracht van het niet weten
Lucas omschrijft zijn huidige job als “artistiek leider bij de Stichting Nieuwe Helden” of “creator”. Voor Lucas is het belangrijk dat zijn creaties iets teweegbrengen. Nu is theater vaak entertainment voor de elite waarbij het publiek het eens is met wat er gezegd wordt. Lucas ziet dat soort theater als “het knuffelen van je eigen ziel”: het publiek bevestigt je eigen visie. Hij wil daarentegen iets veroorzaken met zijn werk, waarbij hij middenin de maatschappij staat. Daarom houdt hij zich niet enkel met theaterproducties bezig, maar ook met installaties. Hij denkt heel breed en wil gewoon zijn verhaal delen. Een mooi voorbeeld daarvan is een performance die ze in Skopje (Macedonië) hebben opgevoerd. Met een honderdtal mensen hebben ze op een plein een vraagteken gevormd met fakkels, terwijl alle andere verlichting gedoofd werd. Onze tijd is voor Lucas zo’n brandend vraagteken: “de kracht van het niet weten”. Toen het licht uitging en enkel de fakkels brandden, volgde er spontaan applaus. Dat moment was voor Lucas erg aangrijpend, omdat hij het gevoel kreeg dat ze iets goed hadden gedaan: “We veroorzaken iets, we kunnen een verhaal delen.”

Managen
Naast de artistieke kant van het vak, namelijk het creëren, heeft Lucas geleerd om een bedrijf te leiden. Vroeger was het not done om je als regisseur ook met de zakelijke kant van de productie bezig te houden. In Vlaanderen is het nog steeds taboe om zowel manager als kunstenaar te zijn. Volgens Lucas moet je echter twee dingen doen om succesvol te zijn: zowel stout genoeg zijn in wat je maakt als je zaken managen zodat je dingen kunt maken. Hij toont dat het ook anders kan dan het traditionele beeld van de arme kunstenaar die op een zolderkamer verhongert. Toen hij destijds besloot om in de theaterwereld te stappen, vond zijn grootmoeder het heel erg dat hij geen job zou vinden. Ze had al besloten dat ze hem geregeld van maaltijden ging voorzien zodat hij toch iets zou kunnen eten. Lucas kookt inderdaad niet veel, maar gaat wel vaak op restaurant. Verhongeren om zijn kunst te kunnen maken, doet hij dus niet.

“Kunst kan voor niets een oplossing zijn, maar het kan wel een kader bieden”
Een van die projecten is “De Club”, een voorstelling waar het publiek zelf deel uitmaakt van wat er gebeurt. Het is allesbehalve een traditionele theatervoorstelling, want er wordt bijvoorbeeld gevochten, het publiek mag ook meepraten en  mensen worden zelfs geblinddoekt in een busje gestopt. Het is wel een heel heftig project, omdat hij daar elke avond opnieuw als zichzelf staat. Het publiek mag reageren en er gebeurt constant iets. Wel heel leuk om te doen, maar “ge zijt wel dood als ge dat een tijdje doet”. Het ideale publiek van “De Club” gaat van 18 tot 38 jaar, omdat het gaat over de vraag wat we kunnen veranderen in onze samenleving, wat we effectief doen, of we wel iets kunnen veranderen. De laatste tijd merkt Lucas op dat wat hij maakt heel vaak gaat over “we moeten geen vrienden zijn van elkaar” of “we moeten elkaar niet graag zien”. We geloven niet meer in een soort hippietijdperk waar iedereen verliefd is, maar we moeten wel meer samen doen, want anders trekken we het niet. “De Club” wil wel iets doen, maar de vraag is wat. Niet alle mensen die naar “De Club” komen kijken, zijn bewust bezig met wat er gedaan kan worden, maar het is leuk als je mensen kan aanzetten tot nadenken. Kunst kan volgens Lucas voor niets een oplossing zijn, maar het kan wel een kader bieden.

Interviewers: Anouk De Smet, Leen Schellinck, Natacha De Bleser
Lucas De Man
Lieven de winnestraat 6, 9000 Gent
mathiasdeman@hotmail.com
stemt toe in opname op site

(on)zichtbaar

(on)zichtbaar

Spreekbeurt. 28/10/10 gehouden aan de UVA voor sociologie en antropologie studenten

over de aanwezigheid van kunst in de samenleving

en de verantwoordelijkheden van een kunstenaar

Hoi. Mijn spreekbeurt gaat over kunst. Kunst en haar aanwezigheid in de samenleving. Meteen maar even voor de duidelijkheid; als ik straks nog eens het woord kunst in de mond neem, en dat ga ik vaker doen dan mezelf lief is waarschijnlijk, dan spreek ik vanuit mijn ervaring met performance kunst/ of uitvoerende disciplines. Dat kan heus ook een beeldhouwer zijn die drie keer per dag z’n eigen beeld komt strelen. Het is een poging om het te hebben over de aanwezigheid van de kunstenaar in de samenleving. En ook ga ik de kunstenaar met ‘hem’ benadrukken en ons publiek met ‘haar’, gewoon omdat ik een jongetje ben en mijn publiek liever de nuance van een vrouw meegeef. Ja, ok… Of Hij, zijnde kunstenaar, zich nog durft te bemoeien met de echte wereld dus, helaas niet echt een vanzelfsprekendheid tegenwoordig. Schijnbaar zelfs heel moeilijk. Nu het via ons nieuwe kabinet over geld, veel geld, gaat breekt er overal om mij heen een existentiele discussie los over ‘De Kloof’, de Kloof tussen kunstenaar en de rest van de samenleving. Die kloof is niet nieuw, maar lijkt groter dan ooit. En nu ons nieuwe kabinet oordeelt dat het te weinig oplevert en teveel kost, kunnen we haar niet langer ontkennen. De kloof in al haar oorzaken en gevolgen is een eindeloos genuanceerde discussie, en voor die discussie ben ik niet gekomen. Toch begin ik ermee omdat: het gegeven is heel simpel: ze is er en in democratie heeft het volk de macht en zij, de massa, zijn met meer. En daarbij zijn zij niet degenen die de kloof gaan overbruggen, dus eh tijd voor actie. Lijkt me? Het gegeven is heel simpel. Ik vind het een aantrekkelijk gegeven.

Als het aan de kunstenaar is te reflecteren / overwegen / bevragen en hij doet z’n poging iets te maken over leven… dan zou het ook wel aardig zijn als het dat deed met op z’n minst een been in dat leven. Natuurlijk is onderzoek belangrijk, daar hoef ik jullie neem ik aan niet van te overtuigen. Ja en een kunstenaar heeft baat bij een veilige plek. Voorbeeld: een choreograaf die wil onderzoeken hoe je beweegt vanuit die beat die je hart slaat. Het is dan echt fijn om heel erg lelijk en langdurig jezelf af te vragen waar je in godsnaam mee bezig bent in je kleine veilige studiotje en daarmee langzaam een existentieel laagje aan het werk toe te voegen. En dat allemaal onzichtbaar en consequentieloos in dat donkere hoekje ergens in de Nes. Maar dan, en hier gaat het meestal lelijk mis. Dan komt er een tijd om uit je veilige studiotje te kruipen en dat intense werk dat je leverde om nog eens iets werkelijks te onderzoeken te delen met de rest van de wereld. En zoals blijkt lukt dat niet door je voorstelling in alleen maar de uitkrantagenda te laten plaatsen…

Over het ontstaan van de kloof tussen massa en elite, ga ik naast mijn verbazing en woede en onmacht niet zoveel zinnigs proberen te zeggen, dat zijn verschijnselen waar jullie je helemaal zuur op wetenschapperen toch? Zou beter zijn om zo’n borrel met makers te organiseren en dan jullie weer uit te nodigen om het ons te komen uitleggen, want en daar gaan we, wij zijn het al heel erg lang helemaal kwijt!

Die veiligheid, van nog eens echt iets onderzoeken in dat donkere studiootje, wordt ons nu via de geplande bezuinigingen ontnomen (in die onderzoeksstudiootjes vallen de eerste en de hardste klappen let maar op), eigen schuld dikke bult. Er was geen publiek voor en dat publiek dat er wel was begreep t niet. Eigen schuld dikke bult. Misschien tijd voor een periode van avantgarde waarin lompe statements regeren, logisch want er was geen geld en dus geen tijd om er goed over na te denken, eigen schuld dikke bult right back at you. Ik irriteer me scheel aan het feit dat in de discussie, zoals ze nu wordt gevoerd, publiek en kunstenaar tegenover elkaar staan als vijanden. In plaats van die twee die elkaar zo hard nodig hebben, maar die elkaar even een tijdje kwijt zijn, dat gebeurt in elke gezonde relatie toch? Als het in een relatie niet meer lukt voorbij de verschillen te kijken, moet je scheiden en opnieuw flirten versieren, voor je winnen. Nu acht ik de kunstenaar de verleider en het publiek de te verleiden partij, dusseh time for some action baby. Schrijf een lied en slet jezelf terug naar binnen, kniel onder dat balkon en verleid haar met je goedgetrainde stem, en meen het! Wil haar! Als je liedjes zingt omdat je dat leuk vind om te doen dan verdien je haar niet, meen het, wil haar!

Het huidige politieke klimaat heeft mij in deze gedachten de laatste tijd enigszins ingehaald. Door betitelingen als ‘linkse hobbies’ en ‘de kloof’ tussen kunstenaar en massa als argument te gebruiken voor bezuinigen. Daarmee is de politiek is ook begonnen over de verantwoordelijkheid van de kunstenaar. Ik moet helaas zo genuanceerd zijn om mijn standpunt te distantiëren van de politieke. Het verschil zit m in de benadering: De politiek denkt de kunst te stimuleren door het kunstenaar minder makkelijk te maken. In eerste instantie klinkt dat aannemelijk: de kunstenaar verwend met subsidies sluit zich op met soortgenoten en drinkt koffie en bier, rookt sigaretten, snuift coke en staart naar elkanders navel… En dus pakken we die lui hun centjes af en dan moeten ze wel. Zich weer gaan verhouden tot de echte wereld. En dingen gaan maken die we wel leuk vinden

Ehm nee. De kunstenaar die genoeg heeft aan een paar collegae die ook eens af en toe naar zijn navel staren gaat heus niet ineens volkstheater maken als hij geen subsidie meer krijgt. En als hij dit wel zou doen dan is hij hypocriet. En nu hij dat nog niet hoeft te zijn om zijn huur te kunnen betalen komt ie in opstand tegen de bezuinigingsplannen van het kabinet. Voert zijn belezen en welbespraakte betoog en wint ongetwijfeld de discussie die hij zelf organiseert, want hij is niet alleen. Ik ben geen beleidsmaker, maar loop al wel een tijdje in het theaterwereldje rond en ik heb de afgelopen jaren heel erg veel bullshit gezien. Op een theaterschool gezeten die bol staat van de getalenteerde, maar missie-loze mensen. En dat weten een aantal van mijn serieus te nemen belezen welbespraakte collegae ook heel goed, maar ja: nu moeten we vechten voor de kunst en dan val je mekaar niet af, en een hoop van die jongens en meisjes op de toneelschool zijn heel mooi en geïnteresseerd in jou en je mooie woorden en dat vlijt en oh ja ze zijn je enige publiek… bah

Maar de maker blijft bij zijn stuk, zijn stuk. Een kunstenaar moet niet gaan maken wat het publiek wil zien, een kunstenaar maakt wat hij voelt dat hij moet maken, daarvoor maakt hij kunst en geen entertainment.

Op allerlei manieren wordt, vaak slim bedacht door sociologen, hoi, gepoogd om de kracht van de aanwezigheid van kunst in de samenleving in te zetten om bijvoorbeeld een wijk als Geuzenveld te pimpen. Het is in Amsterdam inmiddels een standaard strategie om naast het renoveren van een achterstandswijk er ook gelijk een broedplaats voor kunstenaars in te openen. Dat is goed voor de sfeer; dat er ‘iets gebeurt’ op zo’n plek, cultuur heerst, dat maakt het leven aangenamer. So far so good, heb ik echt niks op tegen, ik wil zelfs heel graag een vet appartement met aangrenzend atelier in Geuzenveld… maar tot daar dan ok? Want wat die kunstenaar vervolgens doet op die plek hoort bij de risico’s van het in huis halen van het beestje… er zijn gesubsidieerde instanties in buitenwijken die ‘community art’ stimuleren door in gesprek te gaan met jonge makers. Ik heb een aantal van dat soort ontmoetingen mogen meemaken en werd in no time wanhopig van het “het moet wel leuk blijven en constructief zijn”… dat zou goed uitkomen natuurlijk en begrijp me niet verkeerd: er zijn een hoop mooie verhalen te vertellen, ook in Geuzenveld, maar het gaat ook lelijk zijn en onhandig als we eerlijk blijven. Ik kom graag wonen en werken in je moeilijke wijk, lijkt me inspirerend, maar niet als sociaal werker, dat is fake en fake blijft niet overeind. Dat hoop ik toch, hoop ik toch echt!

De kern ligt er volgens mij in dat de kunstenaar een verlangen koestert te veroorzaken. En dat hij een karakter bezit met de nodige kloten om uit het veilige in het onbekende te stappen. Om te reageren, te verwarren, te bevragen, te veroorzaken. En, nu wordt het echt moeilijk voor politici: met intuïtie als belangrijkste wapen. Eerlijk onverklaarbaar zijn. Het enige moeilijke aan kunst is dat ze niet altijd verklaarbaar is, ze soms lelijk is en het goede doel zelfs tegenwerkt. Op een vraag antwoord met 20 nieuwe vragen. Want dat kan ze en geef toe; dat maakt haar sexy. Rock-’n-Roll. Ik ken geen kunstenaar die groot en belangrijk werd door te doen ‘wat de bedoeling is’. En nu geven politiek en critici toch de hele tijd de opdracht om te verbinden, de kloof te overbruggen, begrijpelijk zijn en doorzichtig dat is de bedoeling? Me reet.

<ik loop weg met een meisje uit het publiek, bezing haar op de gang met het nummer ‘Blue Sky Blues’, doe die verleidingspoging waarover het eerder makkelijk praten was, en laat de rest van de aanwezigen even 2 minuten wachten, werkt vast precies goed verwarrend>

er wordt in Nederland vaak erg ingewikkeld gedaan over kunst. Maar kunst is niet zo ingewikkeld, het léven is ingewikkeld. Kunst stelt vragen over liefde en de dood, over angst en sterfelijkheid. Daarmee kun je verder gaan waar het gewone denken ophoudt. Daarom begrijpt de politiek kunst niet. Politici zijn machers, die willen dingen kunnen regelen. Kunstenaars ontregelen. En uiteindelijk is het heel dom van de politiek om de kunst zó tegen je in het harnas te jagen. Als je de kunstenaars tegen je hebt, ben je uiteindelijk de lul.’ (Rob Klinkenberg, artistiek directeur toneelgroep Oostpool)

uiteindelijk de lul… laten we het hopen!

Goed. Terug naar de verantwoordelijkheid van de kunstenaar in de titel van mijn spreekbeurt. Want artistiek inhoudelijk een onafhankelijkheids punt maken zullen we nog best een tijdje moeten doen vrees ik. De verantwoordelijkheid waar ik het over wil hebben heeft met lef te maken. Nog tijdens mijn studie heb ik met Lucas De Man Stichting Nieuwe Helden opgericht. Nieuwe Helden, zonder superkrachten, nee: juist toegeven dat je dood gaat, daar kracht uit putten en het heldenschap zit erin om met dat bewustzijn nog eens iets te veroorzaken. Vanuit het verlangen om uit ons enge kleine wereldje te breken. En dat te organiseren ook want vernieuwing, zo achtten wij, gaat hem niet meer zitten in het vinden van nieuwe vormen. Nee alles is al eens gedaan en dus is het tijd voor verbinding. Niet langer dan maar multidisciplinair willen zijn, dat was de trend een tijdje, door ook een liedje en een dansje en misschien zelfs wat videobeelden in je voorstelling te regisseren, nee. Buiten het theater durven zoeken naar generatiegenoten kunstenaars. Knappe jongens en meisjes in hun eigen discipline, via het verhaal of thema samen brengen in events of acties. Focus op de publieke ruimte, want daar zijn de mensen. De mensen die op onze wereld rondlopen, de mensen die allemaal hun eigen verhaal rondzeulen. De mensen die beleid maken, beleid uitvoeren beleid bevechten of ontkennen… het leven leven. Onhandig, onzeker, snel, gemakkelijk, dom, grenzeloos, bang, alles… alles!

Het probleem in het begrijpen, analyseren van, kunst zit m in een nieuwe manier van betitelen. In de kunstgeschiedenis zoals ik m kreeg onderwezen was er telkens sprake van betiteling door Vorm. De nieuwe vorm bepaalde de titel. Nu geloof ik dat alle vormen uitgeprobeerd zijn. Daarom zitten we waarschijnlijk al een behoorlijke tijd vast aan post post post post post modernisme, dat klinkt niet alleen zielig, dat is het best een beetje ook! Waar gaan we naartoe en wat moeten we met nieuwe kunst die niet over vorm gaat? Gaan we de mentaliteit betitelen? Ik hoop het… ‘generatie kloten’ hoop ik dan dat ze ons noemen, maarja dat mogen jullie nakomelingen met terugwerkende kracht lekker uitzoeken, en zorgeloosheid op dat vlak bevalt me ook wel…

ik was gebleven bij: uit je eigen wereldje durven stappen en opnieuw flirten dus… hoe dat moet? Geen idee, of eigenlijk heel ideeën zat want ik wil haar(!), maar die kloof lijkt oneindig en aan de overkant is kunstgras verrot, te lang niet gezaaid. Ik had er laatst een gesprek over met een mooie slimme collega van me en na heel veel woorden en ook best veel bier trokken we de conclusie dat er weinig anders zinnigs over te zeggen valt dan dat we heel hard moeten werken. Ja en eerlijk moeten durven zijn. Daar de kloof zo groot is en haar diepte onbekend. We duiken er telkens maar weer in en vallen keer op keer te pletter, maar het mag nooit zo zijn om op te geven, want pas dan is het hopeloos. Omdat het mooi en belangrijk is om telkens te pletter te vallen en het weer te proberen. Als de mens tracht te leven met vallen en opstaan, moet de kunstenaar zéker hard te pletter vallen en opnieuw pogen.

Het hebben van een identiteitsprobleem, want zo kunnen we het best noemen, is iets waar wij kunstenaars graag heel moeilijk over doen. We hebben geen idealen, geen geloof, nauwelijks traditie, geen nieuwe vormen om uit te vinden en we moeten toegeven dat experimenteel werk vaak vaag geneuzel is nu het geen ‘nieuwe vorm’ doel dient. Het zou jammerlijk dom zijn om het hierover heel erg met elkaar eens te zijn en vergeten naar de rest van onze generatie te kijken en te constateren dat het om meer mensen gaat met dezelfde identiteitsproblemen, dat die identiteitsproblemen horen bij hier en nu leven in deze wereld. voila: geen gezamenlijk statement of ideologie om voor te vechten, maar een gezamenlijke zoektocht. Grote vragen en dat pijnlijk besef dat de antwoorden niet voor het oprapen liggen en misschien wel nooit gevonden worden. Vragen stellen, die van iedereen zijn laten we daar eens mee beginnen. Kwetsbaar omdat we eigenlijk niets te melden hebben, maar het is de kunst die de plek kan creëren waar men elkaar in alle kwetsbaarheid ontmoet, waar de maker een voorstel doet aan zijn publiek. En zij, zij is daar ook en zij is blij dat ze niet de enige is… een ontmoeting dat is het streven, mijn streven, ons streven? Niks elite! Daar val ik met heel veel liefde, heel graag keihard voor te pletter!

Ok. bijna klaar, maar dat idee van eerder zou ik graag omzetten in een vraag. Kunnen we dit gesprek binnenkort eens omkeren? Dan nodig ik al mijn vrienden uit en daag ik jullie uit om het eens vanaf de andere kant te bekijken. Hoe komt het dat ‘de massa’, het populisme, regeert en waar is dat kleine beetje ontzag gebleven tov kunst/ cultuur. Ik heb daar allerlei woedende ideeën over, maar neem de verantwoordelijkheid om het vanaf mijn kant te bestrijden. Komt een van jullie ons binnenkort geruststellen met het nieuws dat het niet aan ons ligt, maar aan de rest van de wereld?

Groetjes

Wij Willen

Wij Willen.

Geen keurige inleiding schrijven voor het volgende statement;

Wij Willen.

Om te beginnen het publiek bij haar kloten grijpen, soms zacht soms onverwacht, maar haar in ieder geval een onontkoombaar gevoel geven dat ze er is. Met ons. We willen geen veilige afstand meer. We willen een publiek dat mee gaat in de beleving. We zijn blij met een associatie, nog blijer met een gevoel maar het liefst hebben we een publiek dat haar voegen verloren heeft.

We zijn ongelukkig en moe van de beredenerende reactie van de toeschouwer. Mensen willen dingen kloppend maken, bevatten, categoriseren. Begrijpen. Gesprekken na een voorstelling gaan vaak over de kwaliteit van de vorm en soms over de inhoud. We willen liever helemaal geen gesprekken meer. Ze maken het kapot. We willen poeh’s en onsamenhangende zinnen. Of klootzak.

Iemand vertelde eens over een locatie voorstelling met auto’s. Een auto raakte los en reed recht op de tribune af. Het publiek verroerde zich niet omdat ze er van uit ging dat het erbij hoorde. We zijn geconditioneerd geraakt in dat wat de meest levende kunstvorm zou moeten zijn. Theater.

Read the rest of this entry »

De moed om gevaarlijk te zijn

Het woord zinvol spookt al een aantal jaren als een mantra door mijn hoofd. Het moet zin hebben, Nu. Wat ik doe. Wat ik meemaak. Soms haat ik dat woord en probeer mijn gedachten af te leiden. Maar altijd komt het weer terug. Voor mij is het redelijk makkelijk om zin te halen uit het leven zelf. Mijn liefde, mijn kinderen, een wandeling in het bos, een ontmoeting met een vriend. Ik heb een rijk leven. Maar het is niet genoeg. Ik moet en wil ook zin geven aan mijn omgeving, de wereld om mij heen. Hoe dan? Wat dan?
Ik werk in de kunsten. Niet als kunstenaar, maar als dramaturg. Ik ondersteun, probeer anderen te helpen bij het maken van hun kunst. Ik parasiteer als het ware op de werkelijke kunstenaar.
Al vanaf mijn eerste theaterervaringen met Freek de Jonge en Bram Vermeulen weet ik dat ik in het theater een groot gevoel van zin kan krijgen. Het leven voltrekt zich in die zaal voor je ogen en in je hart, je bent vrij, je kunt gedachten en gevoelens ordenen en je krijgt de energie om er iets mee te doen, als je weer buiten staat. Ik heb dit altijd als een groot geschenk ervaren. Hoewel, geschenk is eigenlijk geen goed woord, het is een levensbehoefte, die ervaringen in de kunst, voor mij althans. En het is een levensbehoefte die ik zo belangrijk vind dat ik het van de daken wil schreeuwen. Iedereen moet dit mee maken. Ik ben ervan overtuigd dat we daardoor betere mensen worden. Omdat we ergens over nadenken, reflecteren, schoonheid ervaren, stilte en rust, omdat onze verbeelding wordt aangesproken.

Deze tekst sprak Dennis Meyer tijdens de WG Late Night op vrijdag 19 september 2008.

Read the rest of this entry »

alles wat je doet is al gedaan

Alles wat je zegt is al gezegd alles wat je doet is al gedaan, alles behalve jij.

Een statement geschreven voor EERSTE HULP IN O. een congres voor jonge makers, gehouden op 25 en 26 april 2008 in Oostende.

Ik ben jong naïef en elk roepen om verandering en vernieuwing of om behoud en stagnatie is een herhaling van geroep van eerdere naïeve jongelingen en toch roep ik. Niet omdat ik het weet of inzicht heb laat staan overzicht maar omdat er zich ondanks mij zelf in elke vezel van mijn postpuberale lijf een drang, een power, een drive manifesteert die schreeuwt. Schreeuwt om een diepe echtheid, om iets dat gebeurt in het hier en nu, live. Schreeuwt om een zijn die zo samenvalt met zich zelf en alles er om heen dat het een niet zijn wordt, niet niet zijn maar gewoon niet zijn. Het is een drive die arrogant genoeg is een publiek te willen bereiken om daarmee dat gevoel van de schreeuw te delen een gevoel dat ik voor nu wil omschrijven als de rock n roll van de sterfelijkheid.
Die drive is voor mij essentieel wil ik theater maken als ik het zo noemen mag. Ook al vind ik het een vreemde term want als theater maakbaar was dan kan men er een fabriek in beginnen en het door machines laten doen. Maker en speler als nieuwe termen omdat regisseur en acteur niet meer de lading dekken in dit postpostmoderne tijdperk waarin het ook absoluut niet meer zo duidelijk is wat de contouren van theater zijn of waar het precies plaats vindt.

Read the rest of this entry »

Jonge makers aller landen,

“I’m a loser because I can’t find new forms.” Ik tekende deze uitspraak precies een week geleden op uit de mond van acteur en jonge maker Benny Claessens, in de voorstelling Collateral Damage van het nieuwe Vlaamse collectiefje Eisbär. Drie uur lang brachten vier acteurs en een kriepende cellist niet meer dan korte geïmproviseerde antwoorden op telkens persoonlijke basisvragen. Wat was je meest ongelukkige moment ooit? Hoe zou je vallen als je neergeschoten werd? Het meest onrechtvaardige in de wereld vind ik… Het was geen theater, evenmin een impro show. Laten we maar zeggen: een performance. Claessens kreeg de eer voor een reeks antwoorden op “I’m a loser because”. Met de half verontschuldigende blik die hem eigen is, bracht hij het uit. “I’m a loser because I can’t find new forms.” Ik heb er drie dagen lang serieus over getwijfeld om dat zinnetje op t-shirts te laten drukken en die cadeau te doen aan ondergesub-sidieerde jonge makers. Ja, sta mij toe even arrogant te doen. Het kwam mij over als de kernachtige samenvatting van waar een groot stuk van de nieuwe theatergarde vandaag mee lijkt te kampen. Ik val er u even mij lastig vanuit mijn eigen blik, ongetwijfeld Vlaams gekleurd. U gelooft ervan wat u wil. Maar het mocht scherp zijn, vroegen de organisatoren. Welaan.

Zo begon Wouter Hillaert (recensent voor De Morgen) zijn brief aan de jonge makers, voorgedragen tijdens de WG Late Night op woensdag 17 september. Voor de rest van de tekst, inclusief 5 ijzersterke tips: ‘.

Read the rest of this entry »