De moed om gevaarlijk te zijn

Het woord zinvol spookt al een aantal jaren als een mantra door mijn hoofd. Het moet zin hebben, Nu. Wat ik doe. Wat ik meemaak. Soms haat ik dat woord en probeer mijn gedachten af te leiden. Maar altijd komt het weer terug. Voor mij is het redelijk makkelijk om zin te halen uit het leven zelf. Mijn liefde, mijn kinderen, een wandeling in het bos, een ontmoeting met een vriend. Ik heb een rijk leven. Maar het is niet genoeg. Ik moet en wil ook zin geven aan mijn omgeving, de wereld om mij heen. Hoe dan? Wat dan?
Ik werk in de kunsten. Niet als kunstenaar, maar als dramaturg. Ik ondersteun, probeer anderen te helpen bij het maken van hun kunst. Ik parasiteer als het ware op de werkelijke kunstenaar.
Al vanaf mijn eerste theaterervaringen met Freek de Jonge en Bram Vermeulen weet ik dat ik in het theater een groot gevoel van zin kan krijgen. Het leven voltrekt zich in die zaal voor je ogen en in je hart, je bent vrij, je kunt gedachten en gevoelens ordenen en je krijgt de energie om er iets mee te doen, als je weer buiten staat. Ik heb dit altijd als een groot geschenk ervaren. Hoewel, geschenk is eigenlijk geen goed woord, het is een levensbehoefte, die ervaringen in de kunst, voor mij althans. En het is een levensbehoefte die ik zo belangrijk vind dat ik het van de daken wil schreeuwen. Iedereen moet dit mee maken. Ik ben ervan overtuigd dat we daardoor betere mensen worden. Omdat we ergens over nadenken, reflecteren, schoonheid ervaren, stilte en rust, omdat onze verbeelding wordt aangesproken.

Deze tekst sprak Dennis Meyer tijdens de WG Late Night op vrijdag 19 september 2008.

Ik heb eens mijn schatkist aan theaterervaringen benoemd. Freek de Jonge en Bram Vermeulen zaten daar vanzelfsprekend in. Maar ook Bakeliet van Gerardjan Rijnders, Richard II van Ariane Mnouschkin, De jeugd van Hitler van Matthieu Gütschmidt bij Wederzijds, Dialogues  des  Carmelites van Poulenc uitgevoerd door De Nederlandse Opera of Begijnenstraat 42 van Lotte van den Berg.
Bij al deze ervaringen mengden zich maatschappelijke vragen en vaak maatschappelijk onrecht met een tastbare persoonlijke ingang van de kunstenaar en werd, bij de voorstellingen, gebruik gemaakt van de meest geweldige theatermiddelen om de ervaring in de zaal intens, groots en volledig te maken.
Noem het theater dat ik belangrijk vind, theater met een boodschap of beter theater met een opdracht. En verwar het niet met de benauwde betekenis die `politiek theater’ of `geëngageerd theater’ soms heeft. De vrije, onafhankelijke kunstenaar, de persoonlijke ingang en de kracht van de verbeelding zijn wat mij betreft uitgangspunt en leidend. Liesbeth Coltof noemde het in haar State of the Art van het afgelopen theaterfestival: kunst die niet zoekt waar het licht is, maar waar het donker is.
Ieder zijn eigen smaak kun je zeggen. Ik mijn smaak, jij de jouwe. Maar daar schiet ik in dit verhaal niet zoveel mee op. Dus:

Onze maatschappij heeft grote nood aan theater met een opdracht, aan theater dat zoekt in het donker.

Waarom?
We zijn steeds meer op onszelf aangewezen, we hebben contact met alles en iedereen over de hele wereld, maar kennen onze eigen buurman niet, de grote dingen in het leven delen we nauwelijks met een ander en we hebben moeite om ons met een gemeenschap te verbinden. Ik vind het fascinerend om te zien hoe de wereld aan onze voeten ligt. En hoe vooral jonge mensen de mogelijkheden met beide handen aanpakken en onderzoeken. Maar ik ben ervan overtuigd dat het werkelijke levende contact en een werkelijk gevoelde gemeenschap veiligheid en verdieping biedt en de mogelijkheid om tot een zinvol mens uit te groeien, hoe groot de wereld om ons heen ook is. Het theater is een van de weinige plekken waar zowel kunstenaars als publiek in een levend contact met elkaar kunnen ‘zoeken in het donker’. En zich vragen kunnen stellen over de wereld om ons heen.
De maatschappij dwingt ieder van ons echter om snel en liefst makkelijk te scoren, om het verstand te ontwikkelen en om onze economische toekomst zeker te stellen. Als kunst daarbinnen een plek heeft, is het meestal gericht op ontspanning en het liefst in hapklare brokken. Niet zoeken in het donker maar zoeken in het licht.
Zowel de maatschappelijke scoringsdrang als kunst als pure ontspanning hebben de kracht om alles wat daar niet onder valt weg te drukken onder het lawaai van makkelijk in het gehoor liggende liedjes en voortdurende bereikbaarheid. De ruimte, voor zowel het publiek als de kunstenaar, om te spelen, te onderzoeken, de ruimte om te zoeken in het donker, is klein. En juist wanneer de ruimte voor kunst met een opdracht onder druk staat, juist dan is het noodzakelijk dat die kunst er is, zich kan ontwikkelen en zo mogelijk dat zij gesteund wordt. Want deze kunst is van levensbelang. Voor mij, voor jullie en voor onze hele maatschappij.
Er is de laatste tijd veel te doen geweest over de ondersteuning die de overheid biedt. Het ziet er nu wat beter uit dan vorige week, maar het zinloze spelletje dat Minister Plasterk de afgelopen 2 maanden heeft gespeeld geeft weinig vertrouwen in de overheid.
De kunstenaar zelf is bij het maken van kunst niet afhankelijk van de overheid, of van alle andere instellingen en instituten die er zijn om kunstenaars te ondersteunen en bij het publiek te brengen. Dat heb ik onlangs nog gemerkt toen ik een aantal regisseurs uit Iran ontmoette en met hen een paar dagen heb gewerkt. Vooral de regisseur Reza Goran heeft indruk op mij gemaakt. Op bijna nonchalante wijze geeft hij een spiegel van zijn maatschappij (in dit geval over de positie van de vrouw in Iran) met behulp van de repertoire toneeltekst Yerma van Lorca. Met weinig financiële ondersteuning en met een overheid die op zijn best de kunst gedoogt, vinden hij en zijn acteurs een manier om zijn voorstellingen te maken en een manier om zijn publiek te bereiken. Dat in grote getale komt, hongerig naar het vinden van een gemeenschappelijk platform om de maatschappij ter discussie te stellen. En de vraag of hij zich in zijn kunstenaarsschap belemmerd voelt doordat hij in Iran moet werken beantwoordt hij negatief. Zijn kunstenaarschap wordt juist gevoed door deze omgeving en is zeer inventief om met theatertaal alles wat hij wil te ‘zeggen’.

De onafhankelijke kunstenaar. Het klinkt mooi en romantisch. Maar kom je ze niet vooral in het buitenland tegen. In Iran, Palestina of Rusland. Wat betekent het om in Nederland een onafhankelijk kunstenaar zijn.
Enkele eigenschappen:
1.    De noodzaak om theater te maken is onuitroeibaar.
2.    Er is durf om altijd de persoonlijke ingang tot een ‘verhaal’ over de wereld in al zijn kleinheid te gebruiken
3.    De persoonlijke ingang wordt niet verward met therapie, de blik is naar buiten gericht en niet naar binnen. De blik is naar het publiek gericht en niet naar de kunstenaar zelf.
4.    Hij is onderdeel van deze maatschappij. Hij werkt in een bejaardentehuis, gaat op reis, leeft een liederlijk leven of bouwt een huis. En in de meeste gevallen niet in Amsterdam.
5.    Het vakmanschap van het theater wordt tot grote hoogten ontwikkeld
6.    Mogelijkheden om te werken worden gecreëerd om het eigen verhaal te vinden, niet om een plek binnen het systeem te verwerven. Als het systeem volgt, is het mooi meegenomen, maar het is niet noodzakelijk.

Ik werk veel met jonge professionele theatermakers. Maar om eerlijk te zijn, ik kom weinig onafhankelijke kunstenaars tegen. Ik kom een aantal kunstenaars tegen, die het misschien kunnen worden en ik kom veel kunstenaars tegen die van hun opleiding het diploma kunstenaar hebben gekregen, maar die vooral kunstzinnig in het leven staan.
Waar ik me over verbaas is, dat het lijkt alsof deze middelmaat steeds meer als norm wordt gezien. Voorstellingen die geen zin hebben (ook niet in hun zoektocht), hoeven niet gemaakt te worden. Kunstenaars die niet onafhankelijk zijn of die dit niet op korte termijn kunnen bereiken, hoeven niet als kunstenaar ondersteund te worden. De instellingen die zich daarmee bezig houden, productiehuizen en kunstvakopleidingen (mijn instelling incluis), moeten zich veel meer richten op de onafhankelijke kunstenaars en niet op de brede middenmoot. Het tijdperk van Jan Kassies, ‘laat duizend bloemen bloeien’, is voorbij.
En als iemand verantwoordelijkheid moet nemen voor het theater dat zoekt in het donker, dan is het wel de onafhankelijke kunstenaar zelf, jong én oud. En ik hoor weinig uit die hoek. Het lijkt wel of zij, of jullie je werk en je ambitie niet serieus genoeg nemen. Jullie hier in de zaal, die zich niet aangesproken voelen door mijn uitspraak over de middelmaat, neem het heft in handen. Zorg ervoor dat je van je laat horen, niet hier in Frascati, maar op straat, in het land, in de krant en op de televisie. Zorg dat je je theater maakt en zorg ervoor dat je je publiek vindt. En geef niemand anders de schuld wanneer dit niet lukt, behalve jezelf. En probeer het daarna weer opnieuw.

Ik begon ermee dat ik dramaturg ben. En voor mijn werk parasiteer op de kunstenaar. Ik heb dus makkelijk praten, de beste stuurlui staan aan wal. Ik weet dat het moeilijk is om je als onafhankelijk kunstenaar te manifesteren. Maar die onafhankelijkheid is de enige rechtvaardiging om ook werkelijk kunstenaar te zijn. Een titel van een artikel over het maken van kunst van een belangrijke dramaturg uit mijn studietijd Joost Sternheim (de oprichter van frascati) zit nog altijd in mijn hoofd en helpt me soms om verder te gaan. Misschien jullie ook. De moed om gevaarlijk te zijn.

Dennis Meyer, september 2008

Read more posts in