Het zijn goede tijden voor de jonge kunstenaars. Het is immers crisis.
Een economische crisis zoals wij die nu hebben en vooral zullen gaan krijgen heeft twee grote voordelen voor de jonge kunstenaar (ik gebruik de kleine k dus het mag)
Ten eerste. Er is geen geld. Hierdoor zullen heel veel aanvragen van heel veel groepjes en projecten afgewezen worden. En aangezien vele van die aanvragende groepjes enkel theater wil maken als ze er aan verdienen zullen er vele groepjes ophouden te bestaan. Nu zijn er veel acteurs, regisseurs, productieleiders, publiciteitsmensen, technici, dramaturgen, programmeurs, journalisten, zakelijk leiders en vage functiebekleders die hun brood verdienen dankzij de tolerantie van passieloosheid die elke vorm van voorspoed kenmerkt. In tijden van overvloed is noodzaak een ondeugd. Als er geen geld meer is, zal iedereen die dit niet “echt” wilt wegtrekken naar betere oorden.
Ten tweede. In tijden van overvloed wordt elke vorm van kritiek onbegrepen en elke oproep een hol geschreeuw of erger nog, een leuk divertissementje tussen hoofd- en nagerecht. Maar in tijden van crisis zullen zij die overblijven weer iets hebben om voor en tegen te strijden. In tijden van crisis immers floreert het platte entertainment. Mensen willen vluchten van de realtiet. Musicals en comedy zullen zichzelf opnieuw uitvinden. Hoe intenser plat entertainment zich ontwikkelt en profileert hoe intenser de tegenbeweging dat moet doen. In tijden van crisis worden de verschillen op scherp gezet. Er is geen ruimte meer voor middelmaat, voor een beetje van dit en dat. Er is geen plek meer voor ongekozen kunst.
De jonge kunstenaar weet niet of hij wereldveranderend is, of hij het beste maakt, of zijn werk “er toe doet” of hij het weet. Hij voelt echter, diep in zijn binnenste dat hij dit MOET doen, dat hij niet anders kan en zichzelf bereid gevonden heeft daar gehoor aan te geven. De jonge kunstenaar creëert omdat hij dat moet niet omdat hij dat kan en in tijden van crisis overleeft enkel wat moet. Het is een mooie tijd voor de jonge kunstenaar. Het taboe van noodzaak is opgeheven en de strijd om een plek voor het niet weten, voor het onmogelijke willen, voor het schreeuwen in een geluidsdichte kamer is weer begonnen.
Ik weet niet of ik die strijd kan voeren, ik weet wel dat ik ze voeren zal.
