Jonge makers aller landen,

“I’m a loser because I can’t find new forms.” Ik tekende deze uitspraak precies een week geleden op uit de mond van acteur en jonge maker Benny Claessens, in de voorstelling Collateral Damage van het nieuwe Vlaamse collectiefje Eisbär. Drie uur lang brachten vier acteurs en een kriepende cellist niet meer dan korte geïmproviseerde antwoorden op telkens persoonlijke basisvragen. Wat was je meest ongelukkige moment ooit? Hoe zou je vallen als je neergeschoten werd? Het meest onrechtvaardige in de wereld vind ik… Het was geen theater, evenmin een impro show. Laten we maar zeggen: een performance. Claessens kreeg de eer voor een reeks antwoorden op “I’m a loser because”. Met de half verontschuldigende blik die hem eigen is, bracht hij het uit. “I’m a loser because I can’t find new forms.” Ik heb er drie dagen lang serieus over getwijfeld om dat zinnetje op t-shirts te laten drukken en die cadeau te doen aan ondergesub-sidieerde jonge makers. Ja, sta mij toe even arrogant te doen. Het kwam mij over als de kernachtige samenvatting van waar een groot stuk van de nieuwe theatergarde vandaag mee lijkt te kampen. Ik val er u even mij lastig vanuit mijn eigen blik, ongetwijfeld Vlaams gekleurd. U gelooft ervan wat u wil. Maar het mocht scherp zijn, vroegen de organisatoren. Welaan.

Zo begon Wouter Hillaert (recensent voor De Morgen) zijn brief aan de jonge makers, voorgedragen tijdens de WG Late Night op woensdag 17 september. Voor de rest van de tekst, inclusief 5 ijzersterke tips: ‘.

Het begint al bij de ‘I’, het ik-denken. Bij uitstek bij schoolwerk van studenten kom je in voorstellingen, niet zelden solo’s, vaak veel te weten over henzelf, hun twijfels, hun vriendschaps- en liefdesrelaties, hun sociale omgang. Collateral Damage, al veel minder jong, leek het summum: een open dagboek op scène, van de dood van de kat tot een onuitgesproken haat voor andere acteurs. Tja. Het zelf van de performer is een noodzakelijke voorwaarde voor goede kunst, maar de grens met pure anekdotiek is soms erg dun. Alsof er steeds lijntjes uitgeworpen worden waarvan dan het toeval zal beslissen of sommige andere persoonlijkheden in de zaal er zich in enige mate in zullen herkennen. Moeten we niet hoger mikken, niet verder reiken?

Er is een kritiek die beweert dat jonge makers, en makers tout court, vandaag te zeer managers en netwerkers zijn geworden, of moeten worden. Ze zijn soms meer bezig met zich op het rangeerstation dat het theaterveld heet, van het juiste zitje te verzekeren, hun wagonnetje bij de juiste locomotief aan te hangen, het spoor te kiezen dat tot de meeste zichtbaarheid zal leiden. Dat genetwerk zou allemaal koel gebeuren, beredeneerd, als in een modern bedrijf waar de jonge maker zich scherp bewust is van zijn grote verkoopswaarde voor jong-beluste theaterhuizen. Maar ik denk dat juist het tegenovergestelde van een moderne ondernemersgeest speelt. We lijken wel in een nieuwe romantiek te zitten: de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Ligt het aan de opleidingen? Aan hun discours van authentiek zijn, dicht bij jezelf blijven, je eigen taal vinden vanuit een diepgravend zelfonderzoek? Ik weet het niet, maar redelijk ingekeerde voorstellingen over huis-, tuin- en keukenthema’s zijn vaker dan me lief is, het resultaat. Wat moet je ermee?

Komt daarbij dat er, zoals ooit in de Romantiek, een geest van melancholie en zelfs crisis als een donkere saus over vele ‘ik en wij’-voorstellingen ligt. Als het over relaties gaat, gaan die zelden goed. Producties wentelen zich in immobilisme tegenover de wereld of het appèl van anderen. “We weten het niet alleen niet, losers die we zijn, we komen er ook niet uit.” Als voorstellingen in de eerste plaats een voorstel zouden moeten zijn, dan mis ik net dat aspect vaak bij jong werk. In de plaats krijg ik dan afstomping, perspectiefloosheid, ironie en zelf cynisme. Ik mis wat visionair vermogen, wat naïef positivisme. Iets waarmee je je publiek naar huis stuurt om morgen mee aan de slag te gaan, kortom. Ik overdrijf natuurlijk, maar de kramp zelf lijkt de mededeling geworden.

Waar ligt die kramp aan? Misschien aan de overdadigheid van deze tijd? Laten we stoppen met ons daar altijd achter weg te stoppen. Ik denk dat het veeleer ligt aan de druk die makers opgelegd krijgen -of zichzelf opleggen- om nieuwe vormen te vinden, new forms. Ik heb naar aanleiding van het jonge theaterwerk op Theater Aan Zee ook zelf in de krant beweerd dat er zo weinig originaliteit in vormen te zien was, wat je toch van jonge mensen mag verwachten tegenover de gesettelde garde, maar ik heb beseft dat de kern van de zaak elders ligt. Jonge makers zijn net te véél bezig met vorm: anders, nieuwer, disparater, meer rock ’n roll, video, docu, electro. Soms krijg ik het gevoel naar bouwstellingen te zitten kijken zonder huis waaraan gewerkt wordt. Onderzoek lijkt vooral gericht op de manier waarop je iets vertelt. Maar wat is dat dan?

Wat ik hier wil verdedigen, om tot mijn constructieve punt te komen, is dat jonge makers in de eerste plaats meer voor inhoud zouden moeten gaan. Dáár ligt het gat in de markt, dáár valt het verschil te maken, zeker in wat ik van Nederlands theater heb gezien. Ik heb het niet in de eerste plaats over een noodzaak aan meer veelgelaagdheid (wel in de tweede plaats), maar over de pure informatiewaarde van voorstellingen. Wat wil erin meegedeeld worden, welk boekje gaat er open? Ik daag jullie uit zelf even na te gaan wanneer jullie voor het laatst met het hoofd verrijkt een jonge voorstelling zijn uitgekomen. Ikzelf mis die inhoudelijke intentie de laatste tijd nogal. Je merkt het al aan programmatekstjes die steeds cryptischer worden, en die vaak nog louter werven op het feit dat die of die maker ‘iets’ doet. Het hele theater evolueert naar de vorm van een concert, met de momentane beleving voorop. Daar liggen heel wat potenties om de relatie met het publiek, breed of smal, intensief te vernieuwen. Maar als die ervaringsgerichtheid ten koste gaat van wat er verteld wordt, van de complexiteit van het inhoudelijke verhaal, schieten we de bocht uit. Theater moet iets te vertellen hebben, of helemaal stil blijven.

Het probleem van vele jonge makers, ik blijf het maar even arrogant een probleem noemen, is niet zozeer dat ‘jonge’, maar die ‘maker’. Iedereen, van acteur tot scenograaf, moet tegenwoordig maker zijn. Van eenieder wordt verwacht uit zijn diepste zelve een tekst te pennen. Die authenticiteit, die individuele en dus romantische creatiedwang, is alleen de echt gepassioneerden, de uitzonderlijke talenten gegeven. In plaats van ‘maker’ wil ik graag even een alternatief lanceren:‘vertaler-tolk’. Dáár is nood aan.

De ‘vertaler-tolk’, jong of niet, beseft dat hij de erg verantwoordelijke rol heeft om interessant materiaal in een andere vorm te gieten en mensen er zo een andere blik op te gunnen. De inhoud komt niet uit hem, omdat hij daar anderen beter in beschouwt. De vertaler-tolk staat ten dienste: van zijn materiaal enerzijds, van zijn publiek anderzijds. Vertalen-tolken is niet enkel zijn beroep, noch enkel zijn roeping, maar beide ineen: een beroeping. Hij beschouwt zijn eigen ego en expressie niet als de springplank én het sluitstuk van zijn creatie. Hij levert aan, maar wat hij aanlevert, is door zijn handen wel beslissend veranderd. En met materiaal bedoel ik niet in de eerste plaats (wel in de tweede plaats) repertoirestukken of teksten van nieuwe auteurs, maar inhoud allerhande. Dat kan filosofisch gedachtengoed zijn, een documentair onderzoek, een bewerkt amalgaam van getuigenissen, een actuele roman of film. Een mededeling met vlees aan, kortom. Denkstof. De rol van de vertaler-tolk bestaat erin die denkstof te vertalen naar een vorm die recht doet aan de inhoud, en tegelijk boeiend theater oplevert. Vaak is de werkwijze nu omgekeerd. Eerst de vorm, dan het besef dat de inhoud te mager is, te weinig breed aanspreekt.

Mag ik even een paar verhelderende voorbeelden geven? Als ik voor mezelf naga welke voorstellingen de laatste vijf jaar in Vlaanderen en Nederland zijn gaan resoneren in een publieke opinie die uitzonderlijk breder ging dan het vaste theaterpubliek, kom ik uit bij Massis the Musical (Johan Heldenbergh als een krachtpatser roepend tegen het Vlaamse nationalisme), Martens (NTGent en Antigone in verdediging van premier Martens, tegen de anti-politiek), Mefisto for Ever (Guy Cassiers en Tom Lanoye over het rechtse klimaat in Antwerpen, en de verhouding van de linkse kunsten daartegenover), Missie (de KVS peuterend in de postkoloniale trauma’s van België, rond geloof) en Romeinse Tragedies (Toneelgroep Amsterdam met wat mij betreft een pientere analyse van de werking van het hedendaagse populisme). Wat deze voorstellingen gemeen hebben, behalve dat ze uitmuntend theater boden, is dat ze vertrokken van heikel materiaal, omstreden materie die vele burgers in hun ziel meedragen, maar niet altijd aan de publieke oppervlakte toelaten. De ze voorstellingen trokken het juiste complexe materiaal op het juiste moment uit de samenleving, als thee, schiftten die door een persoonlijke bril, en gaven ze ter discussie terug aan diezelfde samenleving. Zo gaat theater leven, zo trekt het volk. Op inhoud, in een juiste vorm daarvoor.

Jonge vertalers-tolken aller landen, om helemaal de dominee te spelen, zend ik jullie heen met vijf tips. Neem ze voor wat ze zijn: iets om je eigen idee bij te vormen of ze af te schieten. De bedoelingen zijn goed.

1)    Lees kranten of interessante boeken voor je op café eindigt, en ga samen na waar ze over zwijgen. Of nog beter: ga zelf op zoek naar echte taboes: sociaal, cultureel, maatschappelijk. Lees je in, diep. Interessant materiaal herken je aan een positief antwoord op de vraag: zou de betere theater-journalist spontaan op dit thema toehappen voor een voorbeschouwing? Sommige onderwerpen laten zich niet negeren.

2)    Trek één keer per jaar deze verdomd veilig drukke stad uit en ga onder-duiken in andere landen, bij boeren, in fabrieken, desnoods onder neo-nazi’s. Infiltreer! Wees nieuwsgierig naar anderen, in plaats van naar jezelf.

3)    Wacht tot het komt, in plaats van tot een of ander productieplatform belt met nog een plaatsje vrij voor volgend seizoen. Geloof in guerilla, en in do it yourself. De structuren zijn fijn, maar niet noodzakelijk. Noodzakelijk is alleen wat jij komt te vertellen en te vertalen. Als dat iets aanraakt, komen de toeschouwers en de programmatoren vanzelf.

4)    Stel je bij elke productie de sleutelvraag wat je er ten goede mee wil veranderen, groot of klein. Stel je niet tevreden met snelle, verontschuldigende antwoorden. Remember: een goede voorstelling is in de eerste plaats een voorstel.

5)    Samengevat: kijk niet in de spiegel, maar door het raam. Het Japanse woord voor raam betekent trouwens letterlijk: ‘het lenen van een zicht op de werkelijkheid’.

Inhoud is de sleutel, dit is mijn slot.

Wouter Hillaert – September 2008

Read more posts in